Ontmoetingen met dieren 5

De Merel

Er bestaan geen gewone dieren. Geen saaie, geen lelijke (al duurde het lang voordat ik het mooie in de nijlgans zag, maar daar vertel ik een volgende keer wel over).

Soms zie je een soort heel vaak en raak je er een beetje aan gewend. Dan zie je niet meer hoe mooi, hoe uniek het diertje is. Zo’n beestje moet zich dan een beetje aan je opdringen, zodat je ‘m weer ziet zoals hij werkelijk is, en dat deed er eentje bij mij. Nu al weer 15 jaar geleden. Het was een merel en hij was prachtig.

Mijn ouders woonden in Twente. Als ik ze bezocht werd het uitzicht vanuit de trein steeds mooier. Weilanden, bossen, boerderijen. Koeien, schapen, hazen en reeën.

En toen verhuisden ze naar de Randstad. De eerste keer dat ik met de trein naar ze toe ging was een deprimerende tocht. In plaats van steeds groener werd het uitzicht steeds grijzer. De gebouwen steeds hoger. Steeds meer mensen en steeds minder dieren.

Uitgeput door al het grauw volgde ik de mensenmassa de trein uit, het perron op. Om het hardst, zodat hij boven de treinen en de mensen uit zou komen, zat daar een merelkerel. Bovenop het gele bord met vertrektijden. Prachtig zwart, met een geeloranje rondje om zijn ogen en een geeloranje snavel. En hij zong een eindeloos lied, zo hard als hij kon, vol overgave, de snavel wijd open.

Ik stond vlak voor hem en luisterde ademloos. De mensen om me heen spraken wat zachter, de treinen stopten met rijden, zelfs de omroeper kondigde even niks af. Er was alleen het lied van de merel.

Met hersteld vertrouwen vervolgde ik mijn reis.