Ontmoetingen met dieren 3

De Wolf

De seconden nadat ik wegliep bij de gravende zandhagedis, daar heb ik nog steeds last van. Ze zouden zo maar in mijn top 10 van geweldige momenten kunnen staan. Maar onzekerheid en twijfel gooien roet in dat eten. Ik durf er ook niet zo vaak over te praten.

Maar goed. Na de hagedis liep ik verder over het zandpad. En daar, recht voor me, tussen twee struiken door, kruiste een groot dier mijn pad. Een grijze kop, een donkere rug, een prachtige staart met een zwarte punt. Een wolf! Nuja, een paar seconden wolf. Want zo kort duurde het maar. Hij verdween tussen de struiken. Ik rende er achter aan, om nog meer te zien. Ik zag twee paarden op een heuvel, de wolf moet er vlak langs gelopen zijn. Ik liep de heuvel op. Vergeefs. De wolf was weg.

Terug op het mulle zandpad zocht ik naar sporen. Voetafdrukken, haren, poep, alles mocht. Maar er was niks te zien.
Ik was waanzinnig blij met deze ontmoeting, maar de twijfel zorgde voor paniek. Want wat moet je hier nu mee? Niemand die je gelooft, een wolf op de Veluwe, zonder foto, zonder sporen.

Ik liep verder. Een auto van Natuurmonumenten reed me tegemoet. Ik wilde ze aanhouden, vertellen over mijn ontmoeting. Maar deed het niet. Ze zouden me niet geloven.

Een dag later heb ik ‘m op waarneming.nl gemeld. ‘Onzekere wolf’ was de status. En zo voelde dat een hele tijd ook. Totdat ik besloot dat het écht een wolf was. Dat maakt de ontmoeting namelijk veel leuker.

Ontmoetingen met dieren 2

De Zandhagedis

Op het Herikhuizerveld heb ik zo mijn vaste rondjes. Er komt soms een nieuw rondje bij, en soms een nieuwe combinatie van twee of meer bestaande rondjes. Een paadje waar ik niet zo vaak zin in heb bestaat met name uit mul zand, het lopen is er zwaar.

Op een warme namiddag nam ik toch weer eens dit paadje. Wat je ziet als je op dit veld loopt hangt af van waar je naar kijkt. Kijk je in de lucht, dan zie je zwaluwen, leeuweriken en soms een koekoek. Kijk je wat lager dan lopen er paarden, zwijnen en reeën. En kijk je nog lager, dan zie je kevers en mieren. En de reptielen. Er zit van alles: gladde slang, adder, levendbarende hagedis, hazelworm. En de zandhagedis.

Ik keek omlaag. En daar, midden op het pad, was een kuiltje. Er werden beetjes zand uit naar achter gegooid door een klein pootje. Het pootje behoorde aan een zandhagedis. Haar staartje stak naar achter. Het lijfje krulde zich het kuiltje in. Ik knielde achter het diertje. Het deerde haar geenszins. Zo rustig mogelijk ritste ik mijn tas open om mijn camera te pakken. Verstoord draaide het hagedisje haar hoofd om en keek me kort aan, met de blik waarmee mensen dat doen wanneer je hoest tijdens een klassiek concert. Daarna groef ze verder.

Ons contact bestond alleen maar uit die verwijtende blik. Als verliefd knielde ik daar in het mulle zand, aan niks anders denkend dan aan het prachtige diertje dat voor me zat. En zij, ze duldde mijn blik, zolang ik er maar geen geluid bij maakte.

Zandhagedis graaft een gat